Griekse woorden bevatten accenten, die laten zien hoe het woord uitgesproken moet worden. In principe heeft elk woord een accent, en elk woord heeft ook maar één accent. Twee groepen woorden vormen daarop een uitzondering, namelijk de enclitica en de proclitica. Dit zijn kleine woordjes die zozeer leunen op het woord naast hen, dat ze qua accent daarmee samenvallen en daardoor geen eigen accent dragen. Proclitica leunen daarbij op het volgende woord (προκλίνω = naar voren leunen) en enclitica op het vorige woord (ἔγκλινομαι = achteroverleunen).

Proclitica

De volgende woorden zijn proclitisch en leunen dus op het woord dat in de tekst na hen komt:

  • De lidwoorden ὁ, ἡ, αἱ, οἱ
  • De voorzetsels ἐκ, ἐν, en εἰς
  • De woorden εἰ en ὡς
  • De ontkenning οὐ

Normaal hebben ze dus geen accent:

Εἰ καλεῖτε αὐτόν, τάχα ὡς λαγῶς ἥξει παῖς εἰς τὴν οἰκίαν.
Als jullie hem roepen, zal de jongen snel als een haas het huis inkomen.

Op het einde van een zin of zinsdeel krijgen proclitica wel een (acutus-)accent, want dan is er geen woord meer waarop ze kunnen leunen:

Ἔπραξας ταῦτα ἢ οὔ;
Heb je die dingen gedaan, of niet?

Enclitica

De volgende woorden zijn enclitisch en leunen dus op het woord dat in de tekst aan hen voorafgaat:

  • Alle onbeklemtoonde vormen van het persoonlijk voornaamwoord (μου / σου / μιν / σφας, enz.)
  • Alle naamvallen van het onbepaald voornaamwoord τις
  • De onbepaalde bijwoorden πως, που, ποτέ, ποθέν, ποι, πῃ, enz.
  • De indicativus praesens van εἰμί en φημί (behalve de 2e ev: εἶ, φῄς)
  • De partikels γε, τε, τοι en νυν
  • De achtervoegsels -περ, -δε en -τε

Aan het begin van een zin of zinsdeel krijgen enclitica wel een (acutus-)accent, want dan is er geen woord meer waarop ze kunnen leunen. Bij tweelettergrepige woorden komt dit accent altijd op de tweede lettergreep. Om dit duidelijk te maken, staan deze woorden mét accent in het woordenboek vermeld, maar dat accent hebben ze normaal gesproken dus niet.

Ποτὲ ἐπολεμήσαμεν αὐτῷ.
Wij hebben ooit oorlog met hem gevoerd.

Ἡμεῖς μέν ποτε ἐπολεμήσαμεν αὐτῷ, ὑμεῖς δ’οὔ.
Wij hebben ooit oorlog met hem gevoerd, maar jullie niet.

Enclitica krijgen ook een eigen accent, wanneer ze met nadruk gebruikt worden.

Οὐ μιμνῄσκεις, ἀλλὰ ποτὲ ἐπολεμήσαμεν αὐτῷ.
Je herinnert het je niet, maar óóit hebben wij oorlog met hem gevoerd.

Enclitica in combinatie met andere woorden

In tegenstelling tot proclitica, oefenen enclitica invloed uit op de accentuering van het woord waar ze tegenaan leunen. Dat is te begrijpen uit het feit dat enclitica zich achter een woord voegen en Griekse accenten ook vanuit de achterkant van een woord bepaald worden. Het encliticum telt als het ware mee als een soort extra lettergreep. Wat er precies gebeurt, hangt af van de plek waar het voorgaande woord zijn accent heeft staan.

Een acutus op de ultima van het voorgaande woord wordt geen gravis.

Ὁ ἀδελφς τοῦ φίλου μου
Ὁ ἀδελφός μου

Soms krijgt het voorgaande woord een extra accent op de ultima, ter voorkoming van een te groot aantal onbeklemtoonde lettergrepen aan het einde van het woord. Dit gebeurt bij woorden waar het accent al maximaal naar voren stond, dus bij een circumflexus op de penultima, of een acutus op de antepenultima.

Ὁ δοῦλός μου
Ἡ θάλαττά μου

Ὁ Ξάνθος δοῦλός ἐστιν.
Xanthos is een slaaf.

Bij een acutus op de penultima krijgen enclitica van twee lettergrepen een accent, maar enclitica van één lettergreep niet. Dit heeft ook weer te maken met het voorkomen van te veel onbeklemtoonde lettergrepen.

Ὁ ἵππος μου.
Ὁ Βουκέφαλος ἵππος ἐστίν.

Bij een circumflexus op de ultima krijgen enclitica geen accent (al zijn er ook uitgevers die bij tweelettergrepige woorden wel een accent afdrukken).

τῆς ἀδελφῆς μου.
Ὑμῖν φαμεν. / Ὑμῖν φαμέν.

NB: Ook bij elisie krijgen tweelettergrepige enclitica een accent.

Ἡμεῖς μὲν σοφοί ἐσμεν, ὑμεῖς δ’ ἐστὲ ἀνόητοι.

NB: Ook de achtervoegsels -περ, -δε -τε gelden als enclitica en dus niet als deel van het woord zelf. Daarom zijn woorden als οὔτε, ὥστε, ὥσπερ en ἥδε goed geaccentueerd, al lijken ze op het eerste gezicht de σωτῆρα-regel te overtreden (omdat ze niet geschreven worden als οὖτε, ὧστε, ὧσπερ, ἧδε).

Enclitica in combinatie met enclitica/proclitica

Als er twee enclitica achter elkaar staan, of als een procliticum gevolgd wordt door een enclicticum, is het nog steeds zo dat het achterste woord op het voorste leunt, met gevolgen voor het accent.

Als een encliticum (of procliticum) gevolgd wordt door een procliticum, dan is er niets aan de hand. Het procliticum hoort immers bij het woord dat daarop volgt, en dat heeft gewoonlijk al een accent.

Ἐγὼ μέν ποτε εἰς τὴν πατρίδα νοστήσω, σὺ δ’ οὔ.
Ik zal ooit naar het vaderland terugkeren, maar jij niet.

Als een encliticum (of procliticum) gevolgd wordt door nog een encliticum, dan krijgt het eerste woord een accent. In overeenstemming met de regels hierboven blijft dat een acutus en wordt geen gravis. Dit proces kan zich met meerdere woorden achter elkaar herhalen:

Εἴ ποτέ τίς τί φησιν.
Als iemand ooit iets zegt

De enige uitzondering is de ontkenning οὐ, die geen accent krijgt als er een encliticum op volgt. In plaats daarvan krijg het encliticum zelf een accent.

Οἱ θεοὶ οὐκ εἰσὶν ἄνθρωποι.
Goden zijn geen mensen.

Geaccentueerde dubbelgangers

Een aantal enclitica hebben geaccentueerde dubbelgangers:

  • De beklemtoonde vormen van het persoonlijk voornaamwoord (μοῦ, σοῦ, μίν, σφάς, enz.)
  • Het vragend voornaamwoord τίς
  • De vragende voornaamwoorden πῶς, ποῦ, πότε, πόθεν, πῇ, enz.
  • Het bijwoord νῦν

De woorden zijn meestal te onderscheiden door het soort accent, of door de plaats van het accent. De enclitica hebben immers altijd een acutus op de laatste lettergreep, de geaccentueerde dubbelgangers hebben hun accent altijd op de eerste lettergreep. Alleen bij éénlettergrepige woorden met een acutus is het verschil niet te zien en moet dat dus uit de context opgemaakt worden.

Ὁ Παῦλος ἀδελφός σού ἐστιν.
Paul is jouw broer.

Ὁ Παῦλος ἀδελφὸς σοῦ ἐστιν.
Paul is jouw broer.

Τίνος ἀδελφὸς εἶ;
Wiens broer ben jij?

Τινὸς ἀδελφὸς εἶ;
Ben jij iemands broer?

Ποτὲ ἐπολεμήσατε;
Hebben jullie ooit oorlog gevoerd?

Πότε ἐπολεμήσατε;
Wanneer hebben jullie oorlog gevoerd?

Het werkwoord εἰμί

De praesensvormen van εἰμί zijn enclitisch (behalve de 2e enkelvoud εἶ). Hun accentuering werkt hetzelfde als bij alle andere enclitica van twee lettergrepen. Daarnaast hebben ze altijd een accent, wanneer het werkwoord gebruikt wordt in de betekenis van ‘bestaan, er zijn’, dus als hoofdwerkwoord in plaats van als koppelwerkwoord.

Καὶ οἱ δοῦλοι ἄνθρωποί εἰσιν.
Ook slaven zijn mensen.

Ἄνθρωποι εἰσίν οἳ οὔποτε λαλοῦσιν.
Er bestaan mensen die nooit praten.

De 3e enkelvoud ἐστί(ν) heeft als enige vorm ook een geaccentueerde variant ἔστι(ν), met het accent op de eerste lettergreep. Deze vorm wordt gebruikt in de volgende gevallen:

  • Aan het begin van een zin of zinsdeel.
  • Bij gebruik als hoofdwerkwoord in plaats van als koppelwerkwoord.
  • Als het de verkorte vorm is voor ἔξεστι(ν), “het is mogelijk”.
  • Na de woorden καί, οὐκ, μή, εἰ en ὡς.
  • In de combinaties ἀλλ’ ἔστιν en τοῦτ’ ἔστιν.

Ὁ Ζεὺς οὐκ ἔστιν ἄνθρωπος.
Zeus is geen mens.